Ik heb het niet aan de grote klok gehangen, maar aangezien ik nog steeds reacties krijg op mijn blog van december 2014 (waar ik mijn aanstaande overstap min of meer aankondig), was een vervolg wel op z’n plaats. Sinds begin augustus 2015 ben ik overgestapt van een Canon 5D Mark III naar een Sony A7R II. Van dslr naar systeemcamera dus. Van optische zoeker, naar elektronisch. Van Canon lenzen naar Sony (hoewel… lees vooral verder). Mijn motivatie om over te stappen heb ik in mijn eerdere blog uitvoerig toegelicht, maar voordat ik mijn ervaring uit de doeken doe, nog even een korte terugblik.

Ik ben ruim 20 jaar Canon fotograaf geweest, ooit nog begonnen in de analoge tijd met een EOS 50E. Ik heb altijd met veel plezier Canon apparatuur gebruikt. Wat camera’s betreft ben ik digitaal begonnen met de D30, toen de 1D, toen de 20D, toen de 1D Mark III, toen de 5D Mark II en uiteindelijk sinds 2012 de EOS 5D Mark III. Die camera’s bevatten allemaal een stukje geschiedenis. De D30 was de eerste ‘consumenten’ spiegelreflex met een digitale sensor in plaats van een analoog rolletje film. Ik kocht hem in 2002 tweedehands voor 1000 euro!). Hoewel diens 3 megapixel-foto’s vandaag de dag weinig meer voorstelt, was de camera toch legendarisch. Voor het eerst was digitaal ‘betaalbaar’, althans ‘binnen bereik’. De resultaten konden direct bewerkt worden in Photoshop, zonder ze eerst in te hoeven scannen. Ik was hobbyfotograaf en ondanks mijn analoge ervaring een redelijke beginner. Dankzij de D30 ben ik toen enorm gegroeid. De overige camera’s hadden ook allemaal hun charme. De 20D maakte een enorme sprong wat betreft lichtgevoeligheid. Ik herinner me nog de woorden van Canon tijdens de persconferentie ‘iso 400 op de 20D staat gelijk aan iso 1600 op de 10D’. En het klopte! Met de 20D kon ik voor het eerst – met gestabiliseerde lenzen – uit de hand fotograferen in de schemering. Een openbaring! De 5D Mark II was een revolutie wat betreft video: 1080p hd met de professionele kwaliteit van een fullframe sensor (in 2008 he!). De 5D Mark III was een logisch vervolg met vele kleine verbeteringen. Maar toch was dat voor mij het begin van de stagnatie.

EXA-8655

Wat ik miste bij Canon

De 5D Mark II was echt een revolutie op videogebied. Waarschijnlijk ook tot Canon’s eigen verbazing. Ineens konden grote en kleine filmmakers betaalbare apparatuur en verwisselbare lenzen gebruiken voor een professionele productie die niet onderdeed voor de professionele, peperdure filmcamera’s. Maar sindsdien zijn er slechts kleine stapjes gezet en is Canon zich vooral gaan richten op het professionele videosegment met dslr-achtige camera’s. Waar vrijwel alle camerafabrikanten ondertussen een camera met 4k video in het assortiment hebben, stelt Canon officieel dat consumenten en prosumers nog geen behoefte hebben aan 4k. Je moet nu minimaal 8000 euro neerleggen voor een 4k camera van Canon!

Maar niet alleen op videogebied gaat het mis. De ontwikkelingen rondom systeemcamera’s worden bijna compleet genegeerd. Canon reageert uiterst traag op de innovaties van concurrenten en komt pas jaren later (of helemaal niet) met vergelijkbare features. De introductie van de EOS M systeemcamera was achteraf gezien het moment dat ik voor het eerst ging twijfelen of ik nog wel bij het juiste merk zat. Deze camera was tijdens zijn introductie al zo achterhaald dat hij wel gigantisch moest floppen. Dat deed hij ook, ware het niet dat Canon later de prijs (officieel 850 euro) significant heeft verlaagd, waardoor het toch nog een beetje ging lopen (en ook de extreem slome autofocus werd een beetje beter na een firmware-update).

Bij de concurrentie waren kantelbare schermen inmiddels standaard (en erg handig), de kitlenzen compacter en veelzijdiger (denk aan Powerzooms) en de elektronische zoekers steeds beter en een bijzonder handig hulpmiddel. Hoewel een optische zoeker in sommige gevallen, zoals sport en wildlife fotografie, nog steeds beter en handiger zijn, kent de elektronische zoeker enorme voordelen. What You See Is What You Get (WYSIWYG) bijvoorbeeld; je ziet nog voordat je de foto maakt exact hoe hij er uit komt te zien; te licht of te donker, te veel of te weinig scherptediepte, de juiste witbalans, stofjes op de sensor, enz. En wat te denken van een live histogram, een vergroting in de zoeker als je handmatig scherpstelt en iets als focus peaking? Met dat laatste kun je bijzonder makkelijk met de hand scherpstellen; de camera geeft visueel aan wat er scherp is – ook in het pikkedonker. Iedere handmatige lens is ineens een feest om mee te werken. En natuurlijk video! Een optische zoeker kun je niet gebruiken tijdens het filmen, zodat je op het kleine lcd-scherm moet gaan turen (al dan niet met hulpmiddelen). Maar bij een spiegelloze camera kun je de zoeker gewoon blijven gebruiken, inclusief snelle autofocus!

Maar ook de sensoren van Canon gingen me wat teleurstellen. De stap van de 5D Mark II naar de 5D Mark III was best goed, maar toch waren de RAW’s niet uitzonderlijk veel beter. Ondertussen gooide Nikon hoge ogen met de D800/D810 (met Sony sensor) die niet alleen een veel hogere resolutie bood dan de Canon camera’s, maar ook nog eens een beduidend beter dynamisch bereik. Het stelt je tijdens beeldbewerking in staat om meer uit de schaduwen en hooglichten te persen. Inmiddels heeft Canon de 5Ds (R) aangekondigd met 50 megapixels, maar aan de testresultaten kun je zien dat die camera heel goed is in één ding: resolutie. De rest is er niet of nauwelijks op vooruitgegaan.

Fullframe systeemcamera

Eind 2014 werd het me duidelijk dat Canon niet op korte termijn met interessante nieuwe camera’s zou komen. Geen (optionele) evf, geen kantelbaar scherm op een fullframe camera, geen betere sensor, geen 4k videofunctie, enz. De EOS M3 heeft weliswaar in 2015 eindelijk een aardig serieuze systeemcamera opgeleverd (die overigens nog steeds achterloopt op de concurrentie), maar met slechts effectief vier beschikbare lenzen kom je niet erg ver. Een systeemcamera met fullframe-sensor lijkt nog ver weg. Canon zal een compleet nieuwe lens line-up moeten ontwikkelen en dat vergt een enorme investering (en veel tijd). Bovendien zal dit zeker tot kannibalisatie bij de bestaande line-up leiden en dat was steeds de reden waarom Canon geen serieus werk van systeemcamera’s heeft gemaakt. De verkopen staan echter onder druk, dus vroeg of laat moet er iets gebeuren. Ook aan recente marktcijfers is nu te zien dat de dslr-markt onder druk staat en de high-end systeemcamera’s nu echt serieuze concurrentie vormen.

Omdat ik zeer gehecht was aan fullframe, was er eigenlijk slechts één serieuze optie voor de overstap: Sony. Ik heb ook Fujifilm overwogen, mede vanwege de goede bodies en uitstekende sensor, maar terug naar aps-c had om meerdere redenen niet mijn voorkeur. Sony timmert sinds 2013 serieus aan de weg met haar fullframe A7 systeemcamera’s die voor drie doelgroepen gemaakt zijn: prosumers (A7 en A7 II), filmers (A7S en A7S II) en allround fotografen die meer resolutie vereisten (A7R en A7R II). Ik heb serieus gedacht aan de A7 II, maar de stap ten opzichte van de 5D Mark II zou dan niet groot genoeg zijn. Ik wist dat er na de A7 II een opvolger van de A7R zat aan te komen, dus dat was de meest voor de hand liggende optie. De A7R zelf had ik eerder getest en dat was weliswaar een mooie camera, maar toch met wat tekortkomingen. Zo had deze camera een enorm luide sluiter, terwijl ik net zo verknocht geraakt was aan de stille stand van de 5D Mark III. En de A7 II was uitgerust met een gestabiliseerde sensor (IBIS), waarmee iedere lens die je op de camera schroeft gestabiliseerd wordt. Dus ook veertig jaar oude primes!

EXA-8653

Sony A7R Mark II

Toen in juni de Sony A7R Mark II aangekondigd werd, wist ik meteen dat dit de camera was waar ik op zat te wachten. Mijn verwachtingen werden zelfs overtroffen. Niet alleen waren alle voor de hand liggende updates toegevoegd (betere body, IBIS, grotere zoeker), er waren ook grote vernieuwingen: de 42 megapixel-sensor was een compleet nieuw ontwerp, het autofocussysteem was helemaal op de schop gegooid (399 af-punten in bijna het hele zoekerbeeld!), een volledig stille stand was present en kon hij serieus goed filmen… in 4k! Door dat de PDAF autofocus extreem verbeterd was, was de camera zelfs zo snel geworden dat hij met behulp van een Metabones-adapter overweg kon met Canon lenzen – met autofocus! Daarover later meer. Iets dat overigens wel slikken was, was het prijskaartje. De A7-serie stond juist bekend om de relatief scherpe prijzen voor je krijgt. Zo was de A7R beduidend goedkoper dan de Nikon D800/D810 en kon de A7 II prima concurreren met de goedkoopste fullframe dslr’s van Canon (6D) en Nikon (D610) en was hij op veel fronten zelfs beter. De allereerste A7 is trouwens nog steeds te koop en is met afstand de goedkoopste fullframe-camera van dit moment (<€ 999). Het prijskaartje van de A7R II was dus fors hoger dat de A7R, maar door de vele verbeteringen was dat het zeker waard. De prijs was overigens alsnog gelijk als wat ik destijds voor de Canon 5D Mark III betaald had.

Wat bevalt er?

Ik heb de camera nu enkele maanden in bezit en er ondertussen ook van alles mee gefotografeerd. Van een bruiloft tot en met concerten, astrofotografie, voetbalwedstrijden, architectuur en landschappen. Een korte vakantie heeft eveneens veel praktijkervaring opgeleverd, al moet een grote reis nog komen. In de basis voldoet de camera helemaal aan de verwachtingen, al zijn er natuurlijk ook minpunten (zie verderop). Met die minpunten was ik overigens al redelijk bekend, aangezien ik in het recente verleden meerdere A7-camera’s heb getest. De grootste vooruitgang is te merken aan de beeldkwaliteit. De 42-megapixel-bestanden zijn werkelijk op alle vlakken beter dan die van de 5D Mark III. Niet alleen is de scherpte en de ruimte om te kunnen croppen enorm toegenomen, ook het dynamisch bereik van de sensor en de prestaties op hoge iso’s zijn bijzonder indrukwekkend. Dat alleen was eigenlijk al voldoende reden om over te stappen. De bediening van de camera is even wennen. De ergonomie van Canon is absoluut beter, ook omdat de camera wat groter is en meer ruimte heeft voor grote knoppen. Maar de A7R II laat zich na gewenning prima bedienen. Vooral ook omdat alle knoppen programmeerbaar zijn; je kunt werkelijk alles naar eigen wens indelen en daarvan meerdere profielen bewaren. Dat heb ik dan ook gedaan en nu kan ik de meeste functies blind vinden. Ik heb een batterygrip gekocht voor momenten waarop meer volume handig is. Bijvoorbeeld wanneer er een grote lens op de camera zit of ik veel in de portretstand ga fotograferen. Ook de accuduur komt dat ten goede. De camera kan dus compact zijn om mee te nemen, maar ook groot als dat prettiger is.

sony-a7rii-canon-nikon

De Sony A7R II, de Canon 5Ds R en de Nikon D810 – alledrie met een 16-35mm f/4 objectief

Het klassieke systeemcamera-voordeel gaat trouwens ook op. De omvang van de camera is beduidend kleiner dan die van een dslr – ook inclusief lens (zie de eerdere foto). Ik hou er regelmatig een dslr-set naast, of zelfs een andere systeemcamera of bridgecamera en dan is de set echt behoorlijk compact te noemen. Het gaat hier natuurlijk wel om een fullframe-camera, dus de best mogelijke kwaliteit die er te krijgen is. In vergelijking met aps-c of mft-systeemcamera’s is de set (en dan vooral de lens) meestal wel wat groter en zwaarder. Wat ik tegenwoordig veel vaker doe dan vroeger is mijn camera meenemen in een reguliere rugzak (dus geen fototas). Daar passen ook heel wat andere zaken in, wat vooral handig is als je een dagje in een hotel moet verblijven. De A7R II met lens past er probleemloos in en een extra lensje is ook prima mee te nemen. Bij de 5D III ging dat beduidend minder makkelijk, want de tas zat dan direct vol en plaats voor extra lenzen was er nauwelijks. Ook het lagere gewicht is duidelijk merkbaar.

EXA-8675

De A7R II met Canon 15mm f/2.8 fisheye en Metabones-adapter

De autofocus van de camera is echt enorm vooruitgegaan ten opzichte van de andere A7 camera’s. Tracking is zo indrukwekkend dat hij ook prima voor sport gebruikt kan worden. Er zijn alleen heel veel opties voor veel verschillende situaties waardoor je soms even moet schakelen. Een unieke feature is trouwens ‘oog autofocus’. De camera detecteert dan de ogen en stelt daarop scherp – iets dat dslr’s niet kunnen vanwege de spiegel. Het is bijzonder handig bij portretfotografie, zeker als je met beperkte scherptediepte werkt.

Zoals benoemd had de sterk verbeterde PDAF nog een ander voordeel. De A7R II kan ook goed overweg met veel Canon lenzen. De Metabones adapter, waarmee je Canon lenzen met autofocus kunt gebruiken, bestaat al een paar jaar, maar was tot nu toe uiterst sloom door het gebruik van contrastdetectie. Een seconde of twee wachten voor de juiste focus was geen uitzondering. Dat maakt de camera wel geschikt voor statische situaties, zoals landschappen, maar verder eigenlijk niet. Dat is nu echt anders. Dankzij 399 fasedetectie af-punten functioneren veel Canon vrijwel hetzelfde als op een Canon body (alleen in low-light worden ze wat trager). Overigens werken niet alle Canon lenzen, maar bij iedere Metabones firmware-update worden dat er meer. De meeste moderne L lenzen werken prima en ook veel moderne third party lenzen (zoals Sigma’s Art-lijn) functioneren goed.

 

Ik had van te voren al veel Canon lenzen verkocht en daar heb ik achteraf wel wat spijt van. De 24-105mm f4 L is een mooie walkaround, ook al is hij optisch niet foutloos. En ik heb echt spijt dat ik mijn 135mm f/2 L verkocht heb (overigens nog in de tijd dat de autofocus nog niet werkte; na een Metabones firmware-update werkt het nu wel). Ik heb momenteel nog een Canon 40mm f/2.8 pancake, 100mm f/2.8 1:1 macro en een 15mm f/2.8 fisheye en die functioneren allemaal prima op de Sony.

De ingebouwde stabilisatie in de body maakt de camera enorm veelzijdig. Veel Sony lenzen hebben hun eigen stabilisatie, maar die werken ook prima samen met de sensor shift-stabilisatie (IBIS) van de body, zodat het beeld over vijf assen gestabiliseerd wordt. Het beste van beide werelden dus. Tegelijkertijd zijn alle primes ook gestabiliseerd, waardoor je uitzonderlijk lage sluitertijden uit de hand kunt halen. En het werkt dus ook met oude handmatige lenzen, waar ik er eveneens een paar van heb.

De nieuwe ‘stille stand’ van de EOS 5D Mark III was destijds een van de redenen om mijn 5D Mark II te dumpen. Ik had mij geërgerd aan de luide spiegel van de 5D Mark II (vooral in situaties waarbij het eigenlijk stil moet zijn, zoals in een kerk, bruiloft, begrafenis of akoestisch concert). Helemaal stil was de 5D III niet, maar je had er zeker geen last meer van. De A7R II heeft ook een stille stand. Deze werkt elektronisch, dus je hoort dat echt helemaal niets – 100% stil. Je kunt daardoor heel onopvallend fotograferen – heel handig voor straatfotografie. Ik heb een knop geprogrammeerd waarmee ik snel kan overschakelen van de normale naar de stille stand. De normale stand heeft nog steeds nut, want voor bepaalde zaken (zoals flitsen en burst) is een sluiter vooralsnog nog steeds noodzakelijk.

En verder? Het kantelbare scherm is erg fijn en stelt je als fotograaf in staat om vanuit lastige hoeken te fotograferen, terwijl je goed zicht op de compositie houdt. Die had ik graag op een 5D-achtige body gezien… De evf vind ik ondertussen een verademing om mee te werken. In veel gevallen merk ik niet eens meer dat ik naar een schermpje kijk. Met een 0,78x vergroting is het zoekerbeeld nog groter dan dat van een Canon 1D X en dat kijkt echt heel fijn. En ik zou niet meer zonder WYSIWYG willen fotograferen en filmen. Ik moet daar wel bij zeggen dat dit persoonlijk is. Ik ben een allround-fotograaf en ben er beroepsmatig niet van afhankelijk. Ik doe weinig sport en wildlife (en hoef dus niet uren door de zoeker te turen in afwachting van dat ene hert). Ik kan me voorstellen dat sommige fotografen liever een ovf hebben. Aan de andere kant ben ik er van overtuigd dat over tien jaar meer dan 90% van de camera’s een evf heeft. De spiegel heeft echt z’n langste tijd gehad – de voordelen wegen niet meer op tegen de nadelen, zeker niet als evf’s nog beter worden. Eén simpel voorbeeld dat dit illustreert: bij een dslr zitten alle autofocuspunten in het midden en zijn ze niet over het hele beeld verspreid (zoals bij de A7R II en de Samsung NX1). Een andere bottleneck is we aan de grens zitten van de snelheid van het opklappen van de spiegel (de Canon 1D X en de Nikon D5 halen weliswaar 14 fps, maar dat is met mirror lock en eenmalige autofocus). En een ander voorbeeld is natuurlijk video, al filmt lang niet iedereen met z’n dslr.

 

EXA-03313 EXA-00912 EXA-00108 EXA-

Wat bevalt er minder?

Nadelen zijn er uiteraard ook. Zoals de ergonomie van de body, al is dat met een externe grip redelijk goed te compenseren. Ik mis het ondertussen niet meer, op het handige joystickje van Canon na. Een van de grootste minpunten is de beperkte accuduur van alle A7 camera’s. Dat komt doordat ze de kleine accu’s van de NEX-camera’s gebruiken (de aps-c lijn van Sony, die tegenwoordig ook onder de Alpha vlag valt). Met de 5D Mark III kon je bijna 1000 foto’s achter elkaar maken (en op de 1D zelfs 2200). Bij Sony blijf je steken op circa 300 tot 400 shots. Met een batterijgrip verdubbelt dat en valt het verschil alweer mee. Bovendien zijn de accu’s dankzij hun omvang ook makkelijk mee te nemen (en wat Sony beter doet: de contacten zijn afgeschermd).

Het menu is een ander heikel punt. Wie de indeling bij Sony bedacht heeft, weet ik niet, maar hij of zij fotografeert zelf waarschijnlijk niet fanatiek. Een camera als de A7R II heeft bijzonder veel opties en die zijn dan ook over verschillende menu’s verspreid. Welk menu je moet hebben is totaal niet intuïtief. De autofocus-opties staan bijvoorbeeld niet bij elkaar, maar zijn verspreid over verschillende menu’s, waardoor je nooit weet welk menu je nu moet hebben en voor een bepaalde optie al snel een tijd aan het zoeken bent. Wat is ook mis is een Canon-menu als ‘My menu’, waarin je zelf de meest gebruikte opties kunt samenbrengen. De uitgebreide customisatie-mogelijkheden van de A7R II maakt het uit de kluiten gewassen menu wel een beetje goed. Ik heb de belangrijkste opties nu onder de vele knoppen ondergebracht en ook het functiemenu is zelf in te delen. Maar laatst gebeurde er iets grappigs: tijdens de introductie van de A7S II (in de basis dezelfde camera) was ik even compleet de weg kwijt, omdat die camera niet mijn vertrouwde indeling had.

Verder is het erg jammer dat de camera geen aanraakgevoelig scherm heeft. Consumentencamera’s hebben dit wel. Dat is erg handig om een focuspunt te kiezen, zonder dat je diverse malen op knopjes moet drukken. Je tikt gewoon op het onderwerp en klaar. Vooral tijdens het filmen is dit een enorme uitkomst – je kunt dan vloeiend de focus laten overgaan van het ene naar het andere onderwerp. En het programmawieltje heeft nu ineens een lock-knop, waardoor je die moet indrukken als je van modus wilt wisselen. Volstrekt onnodig wat mij betreft, want het wieltje steekt niet uit en zit in het midden van de camera. Nu gaat het wisselen extra moeizaam.

Verder kun je de compatibiliteit met Canon lenzen natuurlijk niet Sony verwijten, maar toch is het iets waar Canon fotografen rekening mee moeten houden. Sommige lenzen werken uitstekend, andere lenzen werken niet of matig. Bij slecht licht wordt het ook een beetje tricky, al is het zeker werkbaar. De Metabones-adapter heeft bovendien soms kuren, wat overigens niet vreemd is omdat het Canon signaal naar Sony communicatie moet worden vertaald. Dat uit zich soms in het plots verdwijnen van de autofocus (even aan- en uitzetten is dan voldoende). Als je van plan bent om alleen met Canon lenzen te fotograferen zou ik dat niet aanraden. Dan ben je te afhankelijk van de grillen van de Metabones. Bovendien is er nog een andere reden: de Sony FE lenzen zijn over het algemeen compacter en ondersteunen ook meer autofocus-functies.

Dan komen we op het laatste nadeel: de lenzen. Met 12 stuks op dit moment, evenals een groeiend third party aanbod van Zeiss en Voigtlander, is er best wel wat keus, maar er moet echt nog meer bij. Meer primes, maar ook meer zooms. Zo zijn f/2.8 zooms op het moment van schrijven nog niet beschikbaar. Overigens kunnen er elk moment acht nieuwe Sony FE lenzen worden aangekondigd en dan kan alles er heel ander uitzien. Feitelijk wordt de line-up met 20 officiële lenzen (en dan nog de third party’s) dan al vrij compleet. Zeker omdat je dus ook een reeks Canon en Sigma lenzen kunt gebruiken, evenals Sony A-mount lenzen (Sony/Sigma/Tamron). Een laatste minpunt op dit vlak is dat de Sony FE lenzen behoorlijk aan de prijs zijn. De meeste lenzen, zoals de 55mm f/1.8 zijn optisch dan weliswaar juweeltjes, je betaalt er veel meer voor dan bij Canon en Nikon. Het hopen is dus op meer third party-aanbod, want concurrentie is goed.

Andromeda-v6_ILCE-7RM2_Andromeda DSC03691_ISO 800

Een foto van het Andromeda sterrenstelsel, gemaakt met de A7R II met Samyang 85mm f/1.4 op f/2 (crop)

Toekomst

De overstap is nu dus achter de rug en in de basis ben ik meer dan tevreden. Ik heb echter nog niet zo’n veelzijdig aantal lenzen als in mijn Canon tijd. Een Canon 100-400mm equivalent is er niet, al is de Sony 70-400mm A-mount wel een theoretische optie. Mijn langste telelens gaat nu tot 240mm en dat is voor mijn doen toch wat kort. Begin 2016 zal er dus een serieuze telelens komen, zij het van Sony zelf of een met een Sony A- of Canon EF-mount (ik denk hardop over de Tamron 150-600mm). Verder mis ik nog een goede walk-around lens. De Sony FE 24-70mm f/4 stelt optisch wat teleur voor het prijskaartje en f/4 is niet heel bijzonder. Er schijnt een f/2.8 versie aan te komen, maar die zal ongetwijfeld groter, zwaarder én duurder worden.

Persoonlijk ben ik tevreden met mijn overstap. Het werken met een evf heeft mijn sterke voorkeur gekregen, ook omdat ik daarmee veel sneller en beter kan zien of een foto goed scherp is (al kijken mensen wel wat raar als ik foto’s terugkijk in de zoeker). Als ik foto’s met lastige lichtomstandigheden in Lightroom bekijk, ben ik iedere keer weer enthousiast over het dynamisch bereik van de sensor. Je kunt nu veel makkelijker een HDR uit een enkele foto persen. De RAW bestanden zijn met 40 MB aan de grote kant (uncompressed zijn ze zelfs 80 MB) en dat is trouwens wel te merken aan Lightroom. Op mijn 3,4 GHz i7 kost het inladen van foto’s beduidend meer tijd dan de 22 MB RAW’s van de Canon 5D Mark III. Verder is de resolutie een mooie sprong voorwaarts en biedt ontzettend veel ruimte om te croppen. Ik vermoed dat dit voldoende is om de komende vijf jaar door te komen. Tegen die tijd zal 120 megapixels beschikbaar zijn, maar het is de vraag of dit voor een niche is of een grote groep.

Deel dit!