Deze laatste maand van het jaar is het onmogelijke gebeurd. Na 20 jaar Canon-gebruiker te zijn geweest, heb ik m’n spiegelreflex verkocht. Een Canon EOS 5D Mark III met 16-35 f/2.8 L, 24-105 f/4 L IS en Speedlite 580EX II. Oh ja, en 128 GB aan CompactFlash-geheugen, want daar heb ik toch niets meer aan. Mijn volgende camera bestaat op dit waarschijnlijk moment nog niet, maar ik weet één ding zeker: het wordt een systeemcamera. Waarom? Dat zal ik in deze blog uitgebreid uitleggen.

20 jaar Canon

Tja, het is best wat. Na 20 jaar Canon DSLR’s nu cameraloos. Nou ja, niet helemaal, want ik heb nog een ‘oude’ APS-C systeemcamera en op Marktplaats voor een prikkie een Canon 40D gescoord om de overgebleven apparatuur nog even te kunnen gebruiken. Ik heb namelijk nog een Canon 100mm f/2.8 macrolens en de befaamde Canon 135mm f/2.0 L. Die laatste is perfect als je met beperkte scherptediepte wilt werken en in combinatie met de 1,4x en 2x extenders wordt het een 380mm f/5.6 telelens. Deze lenzen heb ik bewust nog niet verkocht, omdat ik ze via adapter kan blijven gebruiken op een toekomstige camera.

Mijn eerste Canon dSLR kocht ik in 1995, in het analoge tijdperk. Het was een destijds best geavanceerde EOS 50E met autofocus via je ogen. Aan het eind van het decennium kwamen de eerste digitale camera’s en ik kon niet wachten tot die betaalbaar werden. Dat moment kwam min of meer in 2000, met de introductie van de EOS D30, hoewel hij op dat moment toch nog buiten bereik was. Eind 2002 kocht ik ’em tweedehands: € 1000 voor 3 megapixels! Daarna volgden nog veel camera’s, zoals onder andere de 20D, de eerste 1D, de 1D Mark III, de 5D Mark II en ten slotte de 5D Mark III.

Enkele jaren terug had ik al afscheid genomen van twee mooie telelenzen, de 100-400mm f4.5-5.6 L IS en de 70-200mm f/2.8 L IS. De reden? Ze waren gewoon te groot en te zwaar. Ik merkte dat ik ze steeds minder vaak meenam. Eerst vloog de 100-400 er uit, later de 70-200. De 135mm f/2.0 L bood met een extender hetzelfde bereik, maar was een stuk compacter.

De reden dat de tele’s er aan moesten geloven, bleek een voorbode te zijn van mijn toekomstige voornemen. Ik ga regelmatig naar het buitenland (meestal voor slechts een paar dagen, soms ook langer) en iedere keer was het weer de vraag; wat neem ik mee? Welke tas, waar kleren, een laptop en camera-apparatuur in past. Maar vooral; welke camera en lenzen. Meer dan tien jaar geleden heb ik ooit eens de fout gemaakt om mijn fantastische camera-apparatuur thuis te laten en een leencompactje mee te nemen naar San Francisco. Die compactcamera was voor zijn tijd niet slecht, maar bij thuiskomst was ik teleurgesteld over de kwaliteit. Het Sail-equivalent van San Francisco was bezig en de kans dat ik dat nog een keer zo zien was praktisch nihil. Zonde! Sindsdien ging mijn dSLR met enkele lenzen altijd mee, ook al betekende dat ik een extra tas van 10 kg ten alle tijden met me meesjouwde. Geen compromissen meer wat betreft beeldkwaliteit!

Schermafbeelding 2014-12-29 om 15.37.26

beeld: camerasize.com

Introductie van de systeemcamera

In de periode 2008, 2009 en 2010 verschenen de eerste systeemcamera’s van respectievelijk Panasonic, Olympus en later ook Sony en Samsung. De eerste exemplaren hadden wel wat onvolkomenheden, maar er was één bijzonder groot pluspunt: de gebruikte sensoren waren even groot als die in de eerdere DSLR’s van deze fabrikanten. Dus de beeldkwaliteit was identiek. Dat was een interessante gedachte: dezelfde beeldkwaliteit, maar dan in een compact jasje. De nieuwe cameramodellen vereisten ook nieuwe lenzen, want door het ontbreken van een spiegel was de afstand tussen sensor en lens een stuk kleiner. Het was bovendien een mooie gelegenheid om meer compacte objectieven te ontwerpen. Dat lukte niet in één keer, maar na enkele jaren kwamen er kitlenzen waarvan de individuele lenselementen in de uit-stand op elkaar gepropt werden, waardoor ze zéér compact werden. De nieuwe systeemcamera’s waren voor Olympus, Panasonic en Samsung de reden om volledig te stoppen met hun spiegelreflexcamera’s.

Innovatie

Het tijdperk van de systeemcamera bleek te leiden tot meer innovatie. Eindelijk gebeurde er weer wat in cameraland, terwijl er bij spiegelreflexcamera’s amper vernieuwing was, op het opvoeren van de specs na. Wat voor innovatie? Scherpstellen via de sensor in plaats van de spiegel bijvoorbeeld. Aanvankelijk op basis van contrastdetectie, maar later ook via geïntegreerde fasedetectie-diodes op de sensor. Contrastdetectie was overigens al flink sneller geworden op de systeemcamera’s, terwijl dezelfde techniek (tijdens live view en video) bij Canon en Nikon nog jarenlang niet vooruit te branden was. Kantelbare schermen werden langzamerhand standaard op vrijwel alle systeemcamera’s, wat meer mogelijkheden biedt voor een creatieve compositie vanuit een lastig standpunt. Bij spiegelreflexcamera’s blijft dit nog steeds beperkt tot enkele modellen. ‘Dat willen we ook helemaal niet’ en ‘het gaat ten koste van een robuuste body’ claimden dSLR-bezitters lange tijd, tot Nikon dit jaar met de D750 het tegendeel bewees en het enthousiasme toenam.  De multifunctionele flitsschoen werd geïntroduceerd en is ondertussen op de meeste systeemcamera’s te vinden. Je kunt daar niet alleen een externe flitser op monteren, maar ook bijvoorbeeld een microfoon of een elektronische zoeker (evf). En er verschenen ook steeds meer modellen met een ingebouwde elektronische zoeker. 

Elektronische zoeker (evf)

Zo’n elektronische zoeker heeft voor- en nadelen. In veel gevallen is een optische zoeker (ovf) nog steeds superieur, maar een evf heeft absoluut grote voordelen. Je ziet vooraf exact hoe je foto gaat worden en kunt dus direct anticiperen op een verkeerde belichting of witbalans. Ook kun je inzoomen op het beeld om te kijken of de scherpstelling goed is. En over scherpstelling gesproken: focus peaking is echt briljant, want daarmee zie je heel precies welk deel van de composite in-focus is. Met name voor video en handmatige lenzen biedt dit grote voordelen, maar het is ook heel handig als je de scherpstelling heel nauwkeurig wilt afstemmen (bijvoorbeeld op de ogen van een persoon). En over video gesproken: bij een dSLR ben je verplicht tijdens het filmen op het lcd-scherm te kijken. Tenzij je een loupe gebruikt is de scherptediepte daarop minder goed te bekijken dan via een evf. Maar nadelen zijn er ook natuurlijk. Het gebruiken van een ovf gaat niet ten koste van de accuduur. En de optische zoekers op de high-end dSLR’s bieden meer oplossend vermogen dan de beste OLED evf’s. Die evf’s zijn best van goede kwaliteit (en niet te vergelijken met de goedkopere varianten), maar er is een nieuwe generatie nodig om de kwaliteit verder omhoog te krijgen (zoals het dynamisch bereik en het detailniveau).

Overwegingen

Waarom overstappen op een systeemcamera? Vooral omdat de dSLR zich mijn inziens op een dood spoor bevindt. De innovaties bij systeemcamera’s hebben bewezen dat de spiegel niet noodzakelijk meer is. De autofocus ontloopt de mainstream dSLR’s niet meer; systeemcamera’s stellen razendsnel scherp en zijn ook prima in tracking. Ze hebben zelfs een extra voordeel. De scherpstelpunten van een dSLR worden bepaald door een speciale autofocus-sensor en ze zitten allemaal redelijk in het centrum van het beeld. Die beperking geldt niet voor een systeemcamera. Onder andere de Samsung NX1 heeft bewezen dat de beeldinformatie van de gehele sensor kan worden gebruikt en snel ook. Systeemcamera’s die 10 tot 15 foto’s per seconde kunnen schieten zijn al lang geen uitzondering meer. Het werken met een evf, tijdens het testen van diverse camera’s, heeft me positief verrast. Ik zie veel duidelijk welk deel van de foto scherp is (mede dankzij focus peaking) en ook filmen is een verademing met een evf. Ook het feit dat je in een elektronische zoeker veel meer informatie kwijt kunt (zoals een histogram en zoomfunctie) en dat de informatie mee kan kantelen, is een voordeel. En verder heeft fotograferen met een kantelbaar scherm me altijd aangesproken, vanwege de flexibiliteit en creativiteit die dit biedt. Het aantal dSLR’s met zo’n scherm is op één hand te tellen. De meer compacte body en objectieven van systeemcamera’s zijn ook een groot voordeel. Dezelfde kwaliteit, maar dan compacter en lichter.

canon_eos_m_white_1855mm_kit

Canon en Nikon

Wat ook mee heeft gespeeld met mijn overwegingen is de koers van Canon en Nikon. Nikon is van de twee het meest innovatief, maar beide fabrikanten zijn erg conservatief en lijken zich vooral te laten leiden door de verkoopcijfers. Zo lang de verkopen relatief goed gaan, zal er niets veranderen. Het doet me denken aan Kodak, de uitvinder van de digitale fotografie, die ten onder ging aan het te laat inspelen op de marktomstandigheden. Of aan papieren tijdschriften, die verwachten dat ze niets te duchten hebben van websites en ebooklezers. Aan mobiele telefoons met een toetsenbord in plaats van een touchscreen (ook een touchscreen werd ooit weggehoond omdat een echt toetsenbord beter was). Ergens hebben Canon en Nikon overigens wel gelijk: nog geen kwart van verkochte camera’s met verwisselbare lenzen zijn systeemcamera’s en hoewel de verkopen van dSLR’s dalen, verkopen ze er nog voldoende om niet ernstig ongerust te hoeven worden. Maar wat ontbreekt is toekomstvisie: de systeemcamera lijkt nu echt door te breken. De consument ziet steeds minder het verschil tussen een dSLR (die een historisch voordeel heeft) en een systeemcamera en er is een steeds groter aanbod van camera’s en lenzen.

De beide pogingen die Canon en Nikon hebben genomen op het gebied van systeemcamera’s waren ronduit teleurstellend. Canon kwam met de EOS M die wat betreft features ook drie jaar eerder op de markt had kunnen komen. Het leek er op alsof men totaal niet naar de innovatie bij de systeemcamera’s had gekeken: geen kantelbaar scherm, geen multifunctionele flitsschoen, geen (optionele) evf, geen fasedetectie-diodes op de sensor, geen compacte kitlens en slechts twee lenzen (nu vier). En een oertrage autofocus! En daar durfde men toen € 849 te vragen. Het was dan ook niet vreemd dat die camera enorm geflopt is (momenteel ligt de prijs zo laag dat er nog wel wat verkocht worden) en dat diens opvolger vrijwel niet buiten Japan is uitgebracht.

Nikon_1_V3_10_30_PD_frt34lNikon deed het wat betreft innovatie een stuk beter met een compleet nieuw systeem rondom een 1 inch-sensor. Zowel de camera als de lenzen waren daardoor zeer compact en men maakte ook serieus werk van het uitbrengen van nieuwe lenzen. Vooral de autofocus van de Nikon 1-serie was revolutionair dankzij de integratie van een groot aantal fasedetectie-diodes op de sensor. En er waren direct ook meerdere modellen, zodat de consument iets te kiezen had. Maar de grote achilleshiel is de relatief kleine sensor. Deze zal het altijd verliezen van de grotere MFT en APS-C sensor (laat staan fullframe) op het gebied van scherpte, ruis, dynamisch bereik en natuurlijk scherptediepte.

Beide marktleiders hebben zich vermoedelijk laten leiden door zelfbehoud. De groeicijfers van systeemcamera’s waren nog niet overtuigend en men wilde koste wat kost niet de eigen camera’s dwars zitten. Kannibalisme voorkomen dus. Dat doe je dan met een product dat inferieur is aan je bestaande productlijn. Als dat het doel was, dan zijn ze daarin geslaagd. Wat echter ontbreekt is toekomstvisie. Wat wil de consument over vijf jaar? Blijft er noodzaak voor een spiegel? Is een evf niet interessant voor een bepaalde doelgroep? Wat kunnen we leren van de concurrentie? En waarom durven Canon en Nikon niet te experimenteren met nieuwe typen camera’s? Vanwege het gevaar op een flop en omdat ze hun bestaande producten niet willen kannibaliseren, maar dat lijken mij niet de juiste redenen. Waarom heeft Canon ondertussen geen EOS M uitgebracht die zich wel kan meten met een dSLR? En waarom komt Nikon niet alsnog met een systeemcamera met APS-C sensor? Of fullframe.

Olympus, Panasonic, Sony, Samsung of Fujifilm?

Als Canon en Nikon niet het juiste aanbod bieden, welke fabrikant dan wel? Dat is een moeilijke vraag, ook omdat het aanbod zeer divers is. Bovendien is het zeer persoonlijk. Het is makkelijker om te stellen wie er wat mij betreft afvallen. Allereerst is dat Samsung. Hoewel zij met de NX1 een droom van een camera hebben gemaakt die zich op alle vlakken kan meten met een dSLR, vind ik het aanbod van lenzen (en accessoires!) veel te beperkt en ook te duur. Panasonic en Olympus zijn bijzonder innovatief en maken uitstekende camera’s. Ik zou allang voor één van beiden gevallen zijn als ze geen MFT-sensor gebruikten. Die heeft namelijk twee grote nadelen. Ten eerste is de sensor beduidend kleiner dan een gangbare APS-C sensor, wat betekent dat je altijd achterop zult lopen wat betreft resolutie, dynamisch bereik, ruis en scherptediepte. En ten tweede is het formaat 4:3, wat totaal niet aansluit op de breedbeeld-trend. Foto’s zijn daardoor nogal vierkant in plaats van het gangbare 3:2 (of 16:9). Dat betekent dat je pixels verliest als je omschakelt naar 3:2 en de sensor dus effectief nóg kleiner wordt. Ik heb met de topmodellen van beide merken gewerkt en was over de camera’s zelf zeer te spreken, maar de kwaliteit van de foto’s – zeker bij slecht licht – is beduidend minder goed dan ik gewend ben. Jammer, want het MFT-lenzenaanbod is ondertussen vrij groot en de camera-lens-combinaties zijn zeer compact.

Fujifilm

Fujifilm toont als relatieve laatkomer (2012) hoe het ook kan. In een mum van tijd is een enorm aanbod van lenzen ontstaan, waar ook kwalitatief zeer hoogwaardige en lichtsterke exemplaren tussen zitten (zoals de 56mm f/1.2). De X-Trans-sensor presteert bovengemiddeld voor een APS-C sensor, al kan Adobe Lightroom er niet optimaal mee overweg. Bovendien is er ook een breed aanbod van X-serie camera’s, al zou de X-T1 momenteel de enige zijn die ik persoonlijk serieus zou overwegen. En Fujifilm deinst er ook niet voor terug om bestaande – en zelfs oudere – camera’s van nieuwe functionaliteit te zien via firmware-update’s. Daar zouden andere fabrikanten een voorbeeld aan moeten nemen. Een minpunt is dat het aantal weerbestendige lenzen nog op één hand te tellen is, terwijl een camera als de X-T1 dat wel is (dan heb je daar dus weinig aan). En ik vind het bizar dat Fuji foto’s boven de iso 6400 alleen in jpeg wil opslaan en niet in raw. Dat bepaal ik graag zelf als gebruiker.

Sony

Sony-A7rSony heeft voor mij persoonlijk momenteel de beste papieren. Het bedrijf heeft de afgelopen jaren meermaals haar nek uitgestoken met nieuwe initiatieven, zoals het gebruik van een vaste , transparante spiegel (SLT) in haar spiegelreflexcamera’s, door de introductie van kwalitatief hoogwaardige compactcamera’s met een grote 1 inch-sensor en door een groot aanbod van rappe en veelzijdige (NEX/Alpha) systeemcamera’s. Een camera als de A6000 is erg interessant vanwege de snelle autofocus, compacte vormgeving en ingebouwde evf (hoewel die minder is dan de evf van de NEX-6 en -7). Maar Sony heeft vooral indruk gemaakt met de introductie van de allereerste systeemcamera met fullframe-sensor; de A7-serie. Momenteel zijn er vier exemplaren, inclusief één opvolger, met fullframe sensoren van 12, 24 en 36 megapixels. De beeldkwaliteit is daardoor maximaal en je kunt ook goed spelen met beperkte scherptediepte. Het aanbod van lenzen is nogal beperkt, maar dankzij de korte afstand tussen sensor en lens kun je via adapters praktisch alle lenzen gebruiken. Onder andere een aantal zeer compacte primes voor de Leica M-mount, maar ook Canon lenzen waarmee je via de Metabones-adapter zelf nog kunt scherpstellen (zij het traag). Bovendien kun je het diafragma aansturen vanuit de camera alsof het een Sony lens is en werkt beeldstabilisatie via IS ook prima.

Een nadeel aan zowel Fuji als Sony is dat er maar weinig echt compacte lenzen voor beschikbaar zijn, hoewel je met primes wel een eind kunt komen. Desondanks is de camera-lens-combinatie alsnog een stuk lichter en compacter dan een vergelijkbare spiegelreflex. Sony heeft voor de A7-serie gekozen voor een aantal f/4 zooms, zoals een 24-70mm, 16-35mm en 70-200mm. Het voordeel daarvan is dat de lenzen daardoor redelijk compact blijven, het nadeel is dat je wat minder scherptediepte overhoudt. Het is daardoor een must om ook een reeks primes paraat te hebben, zoals de door DxO geprezen 55mm f/1.8. Nu Sony de A7 II heeft uitgebracht (de opvolger van de A7) is het wachten tot de 5-assige beeldstabilisatie van die camera ook in andere E-mount camera’s opduikt. Daarmee profiteren alle lenzen dus van beeldstabilisatie, dus ook 30 jaar oude primes of een 1000mm spiegellens. Dat is een zeer interessant uitgangspunt.

Een minpunt van Sony is overigens dat het merk niet erg consequent is. Zo had de eerste RX100 geen flitsvoet, de RX100 II wel en de RX100 III weer niet. Ook zou me het niet verbazen als Sony om een of andere duistere reden besluit om de opvolger van de A7R niet te voorzien van een gestabiliseerde sensor, net zoals deze ook geen geïntegreerde af-diodes heeft in tegenstelling tot de goedkopere A7. En Sony is niet erg scheutig met firmware-updates met nieuwe functionaliteit, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Fujifilm. Camera’s worden relatief snel opgevolgd en je moet het er dan maar mee doen.

Wat nu?

De richting is duidelijk, hoewel ik op dit moment alle optie openhoud. Op twee lenzen na zijn al mijn Canon lenzen verkocht. In het begin van 2015 verwacht ik veel aankondigingen, onder andere op de CES in januari en tijdens de CP+ in februari in Japan. Er zijn geruchten over nieuwe spiegelloze camera’s van Canon en Nikon, maar op wat patenten na is er tot dusver geen concrete informatie bekend. Het zou kunnen dat beide merken de systeemcamera serieuzer gaan nemen in 2015. Maar tenzij ze snel een enorme inhaalslag maken, is het wat mij betreft te laat. Er zijn ook geruchten over dSLR’s met een evf in plaats van een ovf (net zoals Sony), maar hoe dat er dat uit gaat zien, met of zonder spiegel en voor welke doelgroep, is de vraag.

Vooralsnog hou ik het bij mijn tijdelijke systeemcamera en een oude, tweedehands Canon 40D (die overigens prima foto’s maakt, alleen een stuk trager). Maar ik ben erg benieuwd wat er de komende tijd zoal komen gaat en ben klaar om te investeren in een nieuw systeem. Al zal ik dat voorzichtig doen, want de markt is nog erg in beweging en is onvoorspelbaar.

Een camera met een spiegel zal voor professionele fotografen nog wel een tijd de handigste camera zijn – denk bijvoorbeeld aan wildlife- en sportfotografen die beter via een ovf kunnen werken – maar voor overige fotografie is een systeemcamera prima gereedschap. Gelukkig is er een vrije markt met veel aanbod en kan iedereen zijn eigen keus bepalen. Meningen over de toekomst van de spiegel verschillen dan ook nogal, al ben ik er zelf inmiddels van overtuigd dat deze zijn langste tijd gehad heeft en vraag ik me hardop af of iets als een spiegelreflex voor de consument over tien jaar nog bestaat…

Update

Iniddels is er een keuze gemaakt en is de overstap van een dslr naar een systeemcamera dus een feit. Lees hier hoe dat bevalt. 

Dit delen? Graag! ☺